Gedichten

Tania Alegria

ZELFS LACHEN DOET PIJN

Die droefheid is zelfs niet behandelbaar.
Als endogene en kwaadaardige cel
sticht ze wisselvalligheden in mijn uren,
slaat in mijn aders, ondergronds,
bij het pompen van de systole van de tijd
om de gang der dagen vooruit te duwen.

Ik weet niet wanneer ze kwam, niet hoe, niet vanwaar,
of iemand ze met de hand tot aan mijn oevers bracht;
de jaren die aan hun juk zijn gebonden sleepten haar mee
of ze kwam op haar voeten, geslepen en hebzuchtig,
meegesleurd door de gal van mijn stigma’s.

Zeker is dat de voorkant van de klokken primeert
en het touw rond mijn nek snoert
met haar ogen van afgrond,
haar handen van metaaldraad.

Onder haar beheer doet zelfs lachen pijn.

(Vertaling Fa Claes)

Lees verder

Gedichten

Marijke Hanegraaf

Een ster, een kind

Schemering zet licht op een hoogwerker
een gave ster en grijpbaar.

In de duisternis ontstaat een oude vraag:
hoort bij de ster een kind?

Zo’n kind gezien
vanuit een hemelsblauwe trein

met care erop jagend langs grijze seinen
door de winter van Europa

met aan de route een versleten hek
ademend in zijn hangslot

zo’n kind dat zwaait
naar het geratel in de avond

een porseleinen pop
tot barstens in de armen.

Lees verder

Gedichten Ruud Offermans

Ruud Offermans

Lente

Limburgs landschap in het ginder
plukjes wit tegen een helling
de eerste bloesem van het jaar

ze versieren het landschap
bloemen doen me denken aan thuis
aan overal waar we zijn gebleven

Lees verder

Lieke Marsman – Wat ik mijzelf graag voorhoud

‘Lieke Marsman is twintig. Als ze de rest van haar leven iedere twee à drie jaar een bundel produceert, zit er een oeuvre van tientallen bundels in. Wat een rijkdom zal dat zijn voor de Nederlandse poëzie.’ Aldus Bouke Vlierhuis aan het slot van zijn bespreking van Wat ik mijzelf graag voorhoud.

Lees verder

Klassieker 141: Marnix Gijsen – De krantenvrouw

Karin Doornik bespreekt ‘De krantenvrouw’ van Marnix Gysen. Wij worden als lezer meegenomen naar een tafereel in een stad bij nacht, we zoomen als het ware in op die ene straat in een onbekende stad die tegelijkertijd elke stad kan zijn. Dit hele gedicht gaat over de vergeefsheid van de boodschap van Jezus in het Nieuwe Testament, de mensen horen en zien de verkondigingen in de Bijbel niet. Tot zover de zedenles. Tegelijkertijd kunnen we in dit gedicht ook de toekomstige agnosticus zien die Gijsen later zou worden. 

Lees verder