Interview H.C. ten Berge

‘Ik heb ze nooit kunnen vertellen wat die vrome broeders uitspookten.’

door Hans Puper

© Wim Bannink

H.C ten Berge (1938) is dichter, schrijver en essayist. Hij debuteerde in 1964 met de bundel Poolsneeuw. Zijn roman Het geheim van een opgewekt humeur werd in 1987 bekroond met de Multatuliprijs en in 2003 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor poëzie. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs (1996) en de P.C. Hooft-prijs (2006). In 2012 verscheen zijn monumentale roman De stok van Schopenhauer. Zijn verzamelde gedichten verschenen in Materia Prima (1993) en Cantus Firmus (2014). Daarna schreef hij naast proza de bundels Splendor (2016), De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca (2019), In tongen spreken (2020) en het in Canada verschenen Speaking in Tongues. Selected poems (2021). [i]

De meeste lezers zullen Een kinderoog, zijn nieuwe bundel, niet hebben gelezen. Daarom volgt hier een deel van de de informatie op het achterplat.
Het gaat om “narratieve gedichten die gebaseerd zijn op herinneringen aan de jaren veertig van de vorige eeuw. Door de autobiografische inslag van deze poëzie neemt de bundel binnen zijn werk een uitzonderlijke plaats in. Werkelijkheid en verbeelding ontmoeten elkaar in scherp getekende taferelen die de karige, vaak grauwe en bekrompen periode van 1944 tot 1949 beslaan.
Het laatste oorlogsjaar, gevolgd door het straffe bewind op de lagere school, de angsten, de onwetendheid, de wisselende gebeurtenissen thuis of elders roepen een voorbije, maar herkenbare wereld op waarin de jonge scholier weliswaar in bedreigende situaties verzeilt, maar ook geluk en geborgenheid en ‘de echte wereld’ van avontuurlijke jeugdboeken vindt. Waar hij de werkelijkheid afweert, grijpt de verbeelding als toevlucht haar kans.”

Een kinderoog is autobiografisch; het jongetje op het voorplat (een schoolfoto) ben je zelf. Toch luidt de ondertitel: De vroege jeugd van Xander Specht. De kleine Hans ten Berge uit de ongestileerde herinneringen werd Xander Specht in de narratieve gedichten. Wat was de reden van die naamsverandering? Hoe verliep het proces?
Van huis uit ben ik geen autobiografische schrijver, wat niet wil zeggen dat er in mijn werk (van welke aard ook) geen gebruik wordt gemaakt van allerlei gebeurtenissen en persoonlijke ervaringen. Geen enkele schrijver kan het een leven lang stellen zonder de verbeelding te injecteren met observaties en ervaringen uit de werkelijkheid. In dit geval heb ik ervoor gekozen van het waarnemende of herinnerde ‘ik’ een personage te maken. Daarmee kon ik het al te persoonlijke op enige afstand plaatsen en kreeg ook, waar nodig, de verbeelding een kans. Door bovendien ‘ik’ door ‘je’ en ‘jij’ te vervangen kon ik tal van herinneringen soepel en zonder gêne hanteren. Het gebruik van ‘je’ en ‘jij’ pas ik trouwens al veel langer toe. Je vermijdt daardoor een te grote ik-gerichtheid (een kwaal waar nogal wat hedendaagse literatuur aan lijdt). Het is in zekere zin te vergelijken met het consequente gebruik van ‘men’ in de poëzie van Gerrit Kouwenaar, die daar overigens pas later toe overging.
Dat het jongetje Specht heet klopt aardig met het schuwe gedrag van de vogel die ‘de klopboor van zijn snavel’ het liefst onzichtbaar in de boombast (hier de taal) drijft. Het heeft me dan ook weken gekost voordat ik die schoolfoto op het omslag van de bundel voor mezelf kon accepteren.

Het is geen wonder dat Xander[ii] schuw is, hij heeft geen onverdeeld gelukkige jeugd – ik kom daar zo op terug. Eerst de intrigerende titel. Het gaat niet om ‘het’ of ‘mijn’ kinderoog, maar een kinderoog. Dat onbepaald lidwoord geeft mijns inziens aan dat de beschreven jeugd van Xander exemplarisch is: het is een kinderoog uit vele, en daarom ook herkenbaar voor mensen die niet in dezelfde tijd opgroeiden – dat geldt in ieder geval voor mij, geboren in 1953. Had je dat exemplarische al vanaf het begin voor ogen of werd je je daar pas later van bewust?
Of Een kinderoog exemplarisch is staat nog te bezien. Dat de gedichten voorbeeldig zouden kunnen zijn besefte ik allerminst. Ik ben spontaan aan deze poëtische terugblik begonnen, doordat een ander plan geen doorgang kon vinden. Natuurlijk was ik me ervan bewust dat mijn generatie vergelijkbare ervaringen zal hebben opgedaan. Hoe persoonlijk de inhoud van de teksten ook is uitgevallen, de grondslag is dus niet uniek te noemen. De periode van verzuilde, sobere levensomstandigheden en ingesnoerde, zo niet bekrompen verhoudingen duurde overigens tot diep in de jaren vijftig, waardoor ook een latere generatie veel zal herkennen. In dat opzicht zou de bundel een bredere, dus misschien wel exemplarische functie kunnen vervullen. Als ik bijvoorbeeld denk aan de ‘amusementsmuziek’ uit die tijd (pop en rock ‘n roll bestonden niet) dan word ik alsnog onpasselijk… ‘Mijn achterband is wel wat zacht, maar dat geeft niet, lieve pop, / spring maar achterop, spring maar achterop, spring maar achterop…’. Eddy Christiani, Olga Lowina, Max van Praag (‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen’), de Nachtegaal uit Twente, Annie de Reuver… Mijn god, de kneuterigheid ten top!
Tegelijkertijd explodeerde in poëtisch opzicht de Beweging van Vijftig met Lucebert, Schierbeek, Claus, Campert, Andreus… ‘De ruimte van het volledige leven’ opende zich. Wat een bevrijding! Maar die poëzie (en al spoedig ook de jazz) leerde ik pas na de jaren veertig kennen, toen ik als middelbare scholier Rodenko’s Nieuwe griffels, schone leien in 1954 of ’55 in handen kreeg en onmiddellijk stukken voor de schoolkrant ging schrijven.

Terug naar Xander. Het is niet verwonderlijk dat hij schuw is. Zo wordt hij regelmatig misbruikt, onder andere door het ‘devoot gebroed’, enkele broeders/onderwijzers op de lagere school. De laatste strofe van gedicht 1 uit de serie met de ironische titel: ‘Negentien achtenveertig: een idylle’ luidt bijvoorbeeld:

Vergeefs de hoop dat jij na de les aan zurig
ruikende en zwartgerokte broeders kon ontsnappen.
Die van de vijfde en de zesde
schoven in het lege klaslokaal
je korte broekspijp quasi-achteloos
omhoog; ze deden iets
onder hun toog en zuchtten
alsmaar zwaarder tot zij flemend dreigden
dat jij ‘als een echte vent’ heus wel
zou begrijpen dat je zekere dingen
beter kon verzwijgen
of je zou voor eeuwig branden in de hel.

Was dit soort herinneringen aanvankelijk te pijnlijk om te beschrijven? Ik kwam op dat idee omdat ik in je aantekeningen las dat het eerste gedicht van de bundel, Terwijl je al sliep, een bewerking is van een ander gedicht, uit 2004[iii]. In het eerstgenoemde schrijf je: ‘Dromen voerden je naar wat je was vergeten – / Plaatsen waar je nooit meer kwam’. In dat uit 2004: ‘Dromen voerden je daar waar je niet wilde zijn’. Acceptatie en nieuwsgierigheid tegenover afweer. Of is dat te vergezocht?
Iets te vergezocht, vrees ik. Dat er niet eerder over werd geschreven kwam, doordat het onderwerp zich in het eerder gepubliceerde werk zelden of nooit voordeed. De bewerkte regels aan het begin van ‘Terwijl je al sliep’ zijn eenvoudig sterker dan de vroegere.
De herinnering als zodanig berust op een werkelijkheid van toen: van de vijf onderwijzende broeders – die uitstekend lesgaven – waren er twee die zich aan pedofilie schuldig maakten. Dat woord kenden wij natuurlijk niet, net zomin als homoseksualiteit een onderwerp van gesprek was. Mijn ouders kenden waarschijnlijk het verschijnsel pedofilie wel, maar er werd over seksualiteit in het algemeen (en bijzondere vormen daarvan in het bijzonder) nooit gesproken. Ik heb ze nooit kunnen vertellen wat die vrome broeders uitspookten. Je werd door onwetendheid dus ook niet weerbaarder gemaakt. Beide ouders waren zowel zorgzaam als weerloos, en leefden onder de plak van harde omstandigheden: ‘nette’ armoede was in de jaren na de oorlog geen uitzondering. Ergens anders in de bundel staat dan ook te lezen: ‘Gekortwiekt door hautaine autocraten, / bazen & prelaten werkten ze voor weinig geld / en hielden zich met moeite staande.’
Zoals uit een ander gedicht in Een kinderoog blijkt heb ik vaker te maken gehad met pedofiele figuren. In tegenstelling tot vele anderen heb ik daar later weinig of geen last van gehad. Vergeleken met het lot van jongens en meisje op katholieke kostscholen betekende dat van mij bijna niets. Denk maar aan de sadistische nonnen die met Gods Zoon waren getrouwd en zich jarenlang op weesmeisjes of zwangere tieners wreekten; aan de seksueel gefrustreerde religieuzen die veelal uit grote gezinnen kwamen, waar men een of twee zonen graag kwijt was om de zorgen te verlichten. Het ergste gebeurde toch in een land als Canada, waar het pas na 2010 bekend werd dat er duizenden Indiaanse kinderen letterlijk ontvoerd waren om in katholieke kostscholen misbruikt te worden; ze kregen niet alleen een nummer in plaats van een naam, ze raakten ook ondervoed, mochten hun eigen taal niet meer spreken en bezweken in talloze gevallen aan een dodelijke ziekte. (Toen ik daar in 1974-75 voor het Museum of Man werkte, werd er in alle talen over gezwegen.)
Kortom, wat mij overkwam deugde niet (en was soms zeer bedreigend), maar bleek ‘peanuts’ vergeleken met de praktijken die elders opgeld deden. Eén ding is overduidelijk: de instelling van het celibaat is een van de grootste blunders van de Kerk geweest… Geen wonder dat het instituut in dit land is leeggelopen.

Xander was dan ook helemaal klaar met het katholicisme. ‘Wat je zeker wou: een ware bende, heidens, / korte metten met gehuichel en ellende’, schrijf je in de laatste afdeling. Voor het zover was, werd lezen een waar toevluchtsoord. Afdeling V, de laatste, is daar in zijn geheel aan gewijd. Ik citeer een van de gedichten.

4

Je ogen lazen stilaan anders
dan ze eerder deden.
Je dronk alles gretig in
om niet te hoeven wezen
waar je was en de grauwte
even te vergeten.
De raadsels van het sprookje
werden bleker en verdwenen.
Voor verjaardagen en Sinterklaas
alleen nog boeken vragen;
kon je weer een week of twee
vooruit en uren in een echte,
want verbeelde wereld leven.

Een echte, want verbeelde wereld. Prachtig. Ik meen daar de latere schrijver en dichter in te herkennen, klopt dat? Datzelfde geldt voor de reislust van Xander, die dolgelukkig is als hij met de vrachtrijder Daan mee mag rijden. In de duisternis over de verlaten Afsluitdijk van Alkmaar naar familie in Groningen. Een avontuur: ‘Wij denderden met minstens zestig, zeventig per uur / over betonnen platen, de banden roffelden / tedoem tedoem, tedoem tedoem over de naden.’
Dat klopt waarschijnlijk wel, al was dat toentertijd natuurlijk onvoorspelbaar. Of het ook opgaat voor de reislust als zodanig is voor mijzelf onduidelijk. Die latere reizen gingen soms ook gepaard met angsten en onzekerheden die je toch overwon, omdat er geen weg terug was. Hier is de jonge Xander blij en argeloos op weg naar een veilig adres, onwetend van het feit dat hij in het donker voor een dichte deur komt te staan.

Naast je bundels heb je ook romans en verhalen geschreven. Een kinderoog bestaat uit welluidende, narratieve gedichten. Wist je direct dat het een poëziebundel moest worden of heb je ook proza overwogen?
Proza heb ik niet overwogen. Wel dat de poëzie door het vertellende karakter vooral moest steunen op een sterk ritme en een klankregister dat muzikale kwaliteiten diende te bevatten. Waar nodig of mogelijk zouden onopvallende binnenrijmen de structuur kunnen verstevigen. De vrije, spontane vorm stond weliswaar voorop, maar willekeur was niet aan de orde: af en toe moest de vorm strakker worden aangetrokken om het spel en het poëtisch spelverloop binnen de lijnen van plaats en tijd te handhaven. Overigens lag het niet in mijn voornemen deze bundel te schrijven: er bestond een geheel ander plan, waarvoor ik nog eenmaal een leeg en ongetemd gebied wilde bezoeken. Door de Covid-pandemie gingen overal de landsgrenzen dicht en werd dat avontuur onmogelijk. Vanuit een paar bestaande schetsen (het eerste 1948-gedicht en ‘IJsregen’) besloot ik toen tot mijzelf ‘in te keren’ en van de nood een deugd te maken. Er kwam een stroom van herinnerde momenten op gang die zich tot een reeks samenvoegde. Het was wel gewenst beperkingen aan het werk en mijzelf op te leggen: er moest veel terzijde worden geschoven om overdaad te voorkomen. En dat de bedrieglijkheid van het geheugen hier en daar een rol zou kunnen spelen, viel gemakkelijk te aanvaarden. Het personage Xander Specht was autonoom en hoefde zich daar niet voor te verantwoorden.

De ritmiek en muzikaliteit ervaar je als lezer sterk, vooral als je gedichten hardop voorleest.  Iets anders: een nieuwe bundel van jou is altijd verrassend anders dan de voorgaande, er is nooit sprake van meer van hetzelfde. Wat kunnen we hierna van je verwachten?
Daar ben ik zelf ook nieuwsgierig naar. Hopelijk is het reservoir nog niet helemaal leeg, al wordt het stilaan moeilijker iets aan te vatten dat nog niet eerder is gedaan. Een herhalingsoefening is zowel onaantrekkelijk als oninteressant. Mijn soms wat krakkemikkige gezondheid kan vroeg of laat ook roet in het eten gooien. Het leven is en blijft ongewis. Voorlopig eerst een tamelijk omvangrijke poëzievertaling voortzetten en daarnaast een half voltooide novelle weer ter hand nemen.
Ongeacht of het iemand ook maar iets kan schelen zal deze oude etno-poëet misschien ooit nog een vergeten akker in de geest omploegen, waarbij hij even onverwacht als onverdiend op een schat van archaïsche munten en artefacten kan stuiten die hem tot nieuwe verhalen of gedichten verleiden.

Die mooie laatste zin heb je alvast, die kun je zo in een prozagedicht zetten. Met welk gedicht wil je dit interview afsluiten?
De keuze is moeilijk: te lange gedichten vallen af (zoals het Narcolepsie-gedicht), terwijl je zelf al enkele representatieve teksten hebt geciteerd. Er blijven drie titels over, waaruit je er één kunt kiezen. Ik leg me dan bij jouw keuze neer!

  1. Heintje Buis
  2. Gezegende momenten 1
  3. IJsregen

Het zijn alle drie prachtige gedichten. ‘Heintje Buis’, het jongetje dat naast Xander in de bank zat en verdronk onder het ijs in het kanaal. Die verdrietige regels: ‘Hoewel het trillen van je lippen luwde / heerste in jouw schoolbank akelige leegte – ‘. En ‘Gezegende momenten 1’, het ontroerende gedicht over de warme, witblonde, Friese tante Martje, die Xander over zijn wilde kuif streek: ‘Soms ging je hunkerend bij haar / staan, misschien drukte zij je weer / tegen zich aan en voelde je haar zachte / buik, een gloed die op jou oversprong / terwijl haar ferme boezem vol over / je haren bloesde.’ Maar ik kies voor het aandoenlijke ‘IJsregen’, ook om te laten zien hoezeer je varieert in vorm.

IJSREGEN

Je spreidde je armen
en gleed
op de wind door de straten

Je spreidde je armen en maakte
je breed
op de wind die je voortjoeg

over beijzelde straten

Een hond tolde verdwaasd
in ’t rond,
werd jankend tegen een gevel geblazen

Een fietser sloeg tegen de vlakte,
landde
vloekend in de goot

Het zong en gonsde in je aderen

Bij een kromming van de weg
scalpeerden
auto’s slanke berken

Nog maar kort daarvoor de prooi
van een
gedroomde dood, was je plots

de jongen die hoogrood, zonder misslag,

op zijn Friese doorlopers in vallend
donker
over een verlaten schoolplein schaatste –

______

[i] In Meander verschenen recensies over Cantus Firmus, Splendor, De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, In tongen spreken , Speaking in Tongues. Selected poems, Een spreeuw voor Harriët en Een kinderoog
[ii] Er is ook een oudere Xander Specht. In Splendor staat de afdeling ‘Kleine kroniek van Specht, Alexander’, waarin de prachtige reeks ‘Zes verschijningen van specht’, een beeld voor de dichter. Ik kan het niet laten er een te citeren:
3 / Hij blaakt & jongleert
De hoge beuk is het domein waar ik als vogelman
het vlakke leven overstijg.
Mijn tongtip krult zich om een buit van ongetemde
woorden die naar binnen waaien.
Ik hap ze op als vliegen, keer ze om, gooi ze omhoog,
ik ben de cascadeur die zeven schotels in de lucht laat draaien.
De woorden kleven op mijn tong, ik dresseer ze
tot een lied en zing het doodleuk uit.
[iii] ‘Terwijl je al sliep’ uit de afdeling ‘Narcolepsie’ in Het vertrapte mysterie uit 2004.
Geplaatst in Interviews.