Gedichten
Gedichten
Trijntje Gosker
ik voed mij met de dagelijkse sleur
van uw beschimmeld brood met kaas
en in een porseleinen schaal
uw stukgevallen dromen
verscheurde brieven, oude nota’s
en dat afgeschreven boek
waar u geen uitgever
mee blij kon maken
die ladderrijke kous
die tien geknipte nagels
dat leverworstje
met de kleur van goud
al wat ik wegvoer uit uw leven
en meeneem naar de afvalberg
stort ik in het totaal van mensenlevens
zodat het terugkeert
in een brood, een schaal
Tone Hødnebø - gedichten
Tone Hødnebø
Zangzwaan ingenaaid in slaap
en de hele wereld wil in je wonen
een stad met gebouwen, molenwieken, bomen en mensen
Je hoort de jubel van allen
die zich een weg naar binnen eten
Je bloedt in een majesteitelijk duister,
maar de eeuw breekt aan
en je wordt weer democratisch,
slaapt op een plat bed,
belt iemand op,
wordt vermoord, weggereden, gedumpt
in zee
vertaald uit het Noors door Roald van Elswijk
Gedichten
Jan de Bruyn
Doorheen de geschiedenis
Misschien is men wijzer geworden.
Niet uit rijmdwang, maar omwille van oud ijzer
dat werd omgeploegd en opgehoest,
aan paardenhoeven herinnerde en zadeltassen
van Moravische makelij, toen er nog kras
doorheen de geschiedenis werd gewalst
en niemand zich daar iets
aan gelegen liet liggen of zijn hart vasthield.
Zomers vlees was gekuipt voor de winter.
(Men herinnert zich dansfeesten, de geur van herfstasters
en zware wijn die magen en lippen paars kleurden.)
Langs de wegen sliepen manschappen met hellebaarden,
waar men behoedzaam omheen liep, terwijl men een kruis sloeg
en door een windvlaag wegtuimelde in de ruimte.
Gedichten
Joris Lenstra
laat de wereld zichzelf zijn
laat de wereld zichzelf zijn
trek haar je niet aan
alleen in je hoofd
een eiland van gedachten
in het koninkrijk van de sferen
geef je je pen de sporen
laat je je stem gaan
hoor je er een woord
dat opspringt, van binnenuit,
en je als een zilvervis verrast
schrijf het op in het zielzand
laat dit genoeg zijn
Gedichten
Bert Lema
Moeder en zoon
Moeder ontzet haar jongen
toont buik en billen
heel de tuin druipt van juli
wat zal er van hem worden
in dit duister midden in de dag
beesten aan zijn oren
groeien onbehoorlijk
ze zoemen een boodschap
die hij op goed geluk verstaat
zo geraakt hij uitverkoren
vertolker van gewassen
die golven bij nacht
maar laat die aanspraak varen
wordt een vent met vrouw en kind
beperkt zijn droefenis tot soms
Gedichten
Yella Arnouts
GOUDVISJES
We zitten bij koffie en koekjes aan tafel.
Het huis hinkt nog na van het kijken
naar later, zij en ik samen op foto’s
van toen. In een huis vol spelende kinderen
draaide zij de roulette, we liepen kakelend
onder haar strohoed vandaan. Haar ogen
als lommer voor broeierige kippen.
Nu in de schaduw van haar gezicht
de ogen vernauwen, flitsen nog ritmen
van gisteren als goudvisjes schuw-
lachend weg, trekt haar lichaam al
in naderend later. Ik draai om ons
gissen van toen, drink met haar koffie,
eet haar koekjes, kom niet aan haar toe.
Gedichten
Mark Boog
Naast iedere wieg
Naast iedere wieg een fee.
Moeder wringt. Vader knarst.
De fee zegt: ‘Nou ja, we zien wel.
Ik wil mijn voorspelling
later graag preciezer formuleren.’
Aan de lianen die het licht ons toewerpt,
zwaaien wezentjes van wezenlijk
onbegrepen aard: wild, vrolijk, angstaanjagend ook.
En geen zonsondergang om tegemoet te rijden,
geen dagboek om in te lezen.
De uren volgen zich genummerd op.
Sterrenstof! Een kamer vol van sterrenstof!
Wij hebben geleerd ons op ons gemak te voelen,
thuis te zijn, dat wil zeggen: nergens heen te kunnen.
Gedichten
Peter Helsen
Derde brief aan M
M :
Je aaide bruine beren toen je niet meer was dan een
kleuter die kon tellen tot je zomerknieën, altijd
gehavend, zoals je leven daarna, beter
was je een boot geweest. Of een vis.
Wie toen, al was het langs honderden hoofden,
schouders, armen heen, je blik vasthield, speelde
met zijn/haar geluk.
Maar mij ontbreekt het niet langer meer
aan jou, je bent net genoeg. Maar ook zoveel
meer. Je blonde
hart is. Redding en troost.
Gedichten
Baudelaire
RECUEILLEMENT
Sois sage, ô ma Douleur, et tiens-toi plus tranquille.
Tu réclamais le Soir; il descend; le voici :
Une atmosphère obscure enveloppe la ville,
Aux uns portant la paix, aux autres le souci.
Pendant que des mortels la multitude vile,
Sous le fouet du Plaisir, ce bourreau sans merci,
Va cueillir des remords dans la fête servile,
Ma Douleur, donne-moi la main; viens par ici,
Loin d’eux. Vois se pencher les défuntes Années,
Sur les balcons du ciel, en robes surannées;
Surgir du fond des eaux le Regret souriant;
Le Soleil moribond s’endormir sous une arche,
Et, comme un long linceul traînant à l’Orient,
Entends, ma chère, entends la douce Nuit qui marche.
BEZINNING
