Gedichten
Gedichten
Nicole Teunissen
Ik zal nog eens ergens een punt achter zetten
Ik kwam niet meer buiten. Omdat alles troebel was,
waren komma’s kikkervisjes en het ging al meer
over sloten dan over wat ik besloten had.
Iemand die niet wist dat ik op een flat woonde,
deed mij een boek over vijvers cadeau.
Er stond in hoe je een natuurlijke omgeving
kon scheppen.
In het drassige gebied tussen
beschermd en bedreigd voelde dat
natuurlijk heel anders.
Aan de hand van bepaalde bronnen bepaalde ik
dat niet gescheiden, niet alleen
voor land en water steeds de beste optie was,
zodat je ten slotte opnieuw kon beginnen
Gedichten
Cecilia Quílez
DE BEKORING LEEFT HIER
Op de venusheuvel tekent het bloed
de uitgestelde loop
van onoverkomelijke stromingen.
Overwin je aan mijn liezen.
De polsslag wordt gewiegd door het schuimspoor
dat in de bres het delicate litteken laat stollen.
Stort je leeg in mijn vervoering en je bent onderworpen.
De boog van je voorhoofd zal fonkelend gespannen staan
en een werktuiglijke siddering zal wonderbaarlijk voordragen.
Elke nacht rijs ik op uit de overwinning
want elke morgen sterf ik verslagen
in de onzekere belegering door het volgende huzarenstuk.
Gedichten
Corné van 't Wout
Pannenkoekenhuis
wij waren stroopkinderen
soms dropen we van tafel
zomaar vlekkend op de grond
vloekend
naast de lege fles
zei moeder dan
dat vader net zijn achtste dood
was gestorven
zijn klompen bij het vuur
en wij -niet beter-
wetend
zwegen
Gedichten
Annette van den Bosch
Zoveel weten we al
Waar het daalt en stroomt en bruist,
waar het paadjes vindt vol ongerijmd
van stotteren en treuzelen.
Waar het kolkt in grindverschuiving
sidderend neerkomt, opspringt.
Hoe dit plaatsvindt.
Zo ongeveer.
Waar de komma de tijd omklemt
en de uren loslaat op de wereld.
Hoe het drupt.
Daar.
Zomaar, ligt het verborgen op het mos
te sluimeren tot we komen.
Aandachtig kijken.
Naar dit, dit vreemde.
Gedichten
Ellen Deckwitz
ONZE MOEDER I
Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),
ze drinkt al jaren onder de tafel. Van flessenbodems
schrapen we gedachtenis af. We zetten ze bij,
de vaasjes waarop blank fluiteschuim bloesemt
en soms druipt het, soms knipoogt de fles soms
kruipen er wolken voor de zin. Slokken die
de dag van het gelaat vijlen. Wat doet iemand als wij
op een plek als enfin.
Onze moeder dus
die kan een voetstuk op.
Nu hop,
straks ziet ze dat we het aankunnen. Klappen we
voor ouders die niet willen dat er over hen wordt
gedroomd,
knip zegt het glas en de kamer gaat uit.
Gedichten
Sander de Vaan
Plunder Diem
Opeens een flits dat dit het is.
Gefrons in het hotel om de hoek:
Zelfs geen tandenborstel mee, meneer?
Schilfernaakt doorwoelt hij dui-
zend lakens, droomt spiegels vol
met weggeworpen blikken.
Door honderd brillen ziet hij uit
over de stad, hoe ramen doven.
In bad weken tachtig levens los.
Gapend sloft hij door naar het ontbijt
de tv-pop die hem ook hier verblijdt
met platte aardse rampen.
Daar krult de rekening: één nacht.
Hij lacht – men moest eens weten.
Gedichten
Anne Broeksma
IJstijd
Toen ik vroeg in welke tijd je het liefst
en waarom, riep je: ‘ijstijd.’ ‘De grote of de kleine?'
‘Doe maar de grote.’
Of je wel wist dat zelfs de mammoetjagers hier niet kwamen,
dat er geen begroeiing was op mossen, gras en poolwilg na
en een bloempje dat uitbundig bloeide, dwars door stenen,
zand en sneeuw: de dryas octopetala.
En dat je toen zei dat je gewoon met rust gelaten wilde worden.
Dagenlang niemand tegenkomen, niemand die iets van je wil.
Ik wenste je veel kou toe, deed mijn jas aan en mijn wanten.
Later kwam ik je nog één keer tegen. Je lag dood naast een wak,
er groeiden bloemen uit je ogen.
Gedichten
Lies van Gasse
Hier naderde taal. Al wat je werd
was een strijdperk van laten en vragen.
De einder sloop. Ongewapend
ging men ter kanonnade.
Hier ging men schelpen rapen in het slib,
men plooide zich naar putten en holtes.
Ook was men kort, welvarend en ver voorbij de stad.
Hier lag de tijd in een pot met gaten
die men naar beneden droeg.
Een mannenstem klonk schril. Ik hield ervan
wanneer je zweeg.
Gedichten
Peter van Galen
EEN MOOI STUKJE DROMEN
er gaat niets boven dromen
waarin je van planeten glijdt
achtervolgd over hekken klautert
en je moet die vis te pakken krijgen
maar verdomd hij is zo glibberig
dan een climax als een wervelwind
vlak voordat je wakker schrikt
ik ben gek op zulke dromen
daarom heb ik er zoveel
vannacht kon ik weer eens
uit stilstand leviteren
geruisloos gleed ik zonder gene
over alle plekken van mijn jeugd
en ook van jaren later
ergens in een soort kasteel
probeerde ik me vast te grijpen
aan een duizelend plafond
want zoals u wellicht weet
ik sterf van hoogtevrees
