Maarten Doorman – Wie niet

Johan Reijmerink bespreekt de bundel ‘Wie niet’ van Maarten Doorman: ‘Doormans poëzie heeft iets alledaags, iets terloops en onnadrukkelijks, en toch reikt het voorbij het eindige. In deze bundel gaat de afdaling in de catacomben, het weer bovengronds komen en de kritische vaststelling van onrecht over in het verlangen de werkelijkheid van onder tot boven te aanschouwen met alle risico van dien.’

Lees verder

De wereld: een korrel stof

Hans van Rossum raakte al jong onder de indruk van de poëzie van Omar Khayyam (Khorassan, circa 1040-1123). Recentelijk kwam Van Rossum met een selectie van 144 kwatrijnen in boekvorm (Probook, Utrecht). De uitgave werd geredigeerd door de dochter van Hans, dichter Ruth van Rossum. Sander de Vaan sprak met deze bezorger van een boeiend, tijdloos boek.

Lees verder

Rozalie Hirs – oneindige zin

Paul Roelofsen laat de poëzie uit de nieuwe bundel van Rozalie Hirs, ‘oneindige zin’, als instrumentale muziek over zich heenkomen en ziet zich beloond met een toenemend genoegen. Het gebrek aan kapitalen en interpunctie en een ingewikkelde syntaxis vragen veel van de lezer, maar ‘vooral de slotregels van meerdere gedichten eindigen prachtig.’ Ook de combinatie van een opgewekte en bevrijdende stemming enerzijds en wat zwaarmoedige gedichten anderzijds doen de bundel goed.

Lees verder

Wat Maakt Een Gedicht Goed? (23)

Een nieuwe serie die wekelijks een antwoord probeert te geven op de vraag Wat Maakt Een Gedicht Goed? Kun je zo’n vraag wel beantwoorden? De medewerkers van Meander zijn achtereenvolgens serieus, speels, poëtisch, humoristisch, streng, onderhoudend, kort, (iets) te lang, verlegen, duidelijk, zeker, geërgerd, motiverend, vluchtig of vragend. Het drieëntwintigste antwoord komt van Jos van Hest.

Lees verder

Aaron Mirck – Dit Algoritme Deugt Niet

Aaron Mirck probeert als eerste tech-dichter en millennial in zijn debuutbundel ‘Dit Algoritme Deugt Niet’ de tijdsgeest te doorgronden. Peter Vermaat is niet enthousiast: ‘Er komt poëzie voor in deze bundel, weliswaar mondjesmaat, maar toch. De vraag is echter of Mirck dat zelf doorheeft. Qua taalgebruik is er in de bundel weinig te vinden dat intrigeert. Er staat vrijwel altijd wat er staat en het wit tussen de regels is ook niet meer dan dat.’

Lees verder