Bladeren door Meander

Ellen Deckwitz - Metamorfosen
‘Metamorfosen’ van Ellen Deckwitz was begin dit jaar het Poëziegeschenk. Deckwitz verkent hierin de fases van verliefd worden tot en met de pijnlijke breuk van de relatie. Yolandi de Beer merkt op: ‘Wat deze bundel bijzonder maakt, is dat zij geen aanklacht is. Er wordt niet gewezen, niet beschuldigd. In plaats daarvan kijkt Deckwitz ook naar haar eigen rol in de veranderingen die plaatsvinden.’
Interview Martin M. Aart de Jong
In de serie ‘gesprekken met Meandermedewerkers’ het vierenzestigste gesprek, met Martin M. Aart de Jong die een dikke punt gaat zetten achter het organiseren in zijn stad, Leiden, het doen van interviews voor Meander, en meer gaat werken aan zijn eigen poëzie en van Nepal zijn tweede thuisland maakt, hij raakt overprikkeld hier, voortaan zegt hij nee!

Eddy Verloes & Elise Vos - Van alles de laatste
Fotograaf Eddy Verloes en dichter Elise Vos scharen zich rond het begrip vergankelijkheid en willen schoonheid toevoegen aan deze existentiëlezoektocht in hun bundel ‘Van alles de laatste’. Volgens Jaap Bos zijn ze daarin geslaagd: ‘Die sfeer, die naar het melancholieke neigt en vaak ook wel iets uitgesproken zwaars heeft, wordt in deze bundel indringend opgeroepen.’ Al miste hij soms een lichtere toon.
Albert Hagenaars
In deze gedichten van Albert Hagenaars, uit zijn Javaanse Suite, klinkt het barokke en geheel eigen geluid van hem, klankrijk en teder, tegelijk fel en duidelijk: ‘Strijdbare strofen gaan zijn rapporten dan te boven.’, ‘de prijs van genadebrood.’, met woorden als ‘De pit’, ‘De groei’, ‘De bloei’, ‘De roede’, ‘Het lot’, en dan: ‘ontdoe hun heden van ons verleden.’
Daan Cartens - Slagveld tijd
In het verzamelde werk ‘Slagveld tijd’ van Daan Cartens staan muzikale verzen over thema's als liefde, leven en dood, en ze zijn geschreven door een onmiskenbaar belezen en taalvaardige dichter, zegt Taco van Peijpe. Storend vindt hij de vele herhalingen en ‘bij zijn woordkeus had hij mijns inziens meer aandacht moeten besteden aan de betekenis en interne samenhang van de gedichten.’
Nieuwsbrief 14 / 5 april

Het is dadelijk dag
Als kind had Jan Loogman het idee dat zijn engel vlak bij hem was, als een verdubbeling van zijn gestalte vouwde hij zich om hem en bewoog met hem mee. Engelbewaarders, engelen die optreden om individuele mensen te beschermen, zijn vooral een rooms-katholiek fenomeen. Wie op zoek is naar een engel die uitdaagt en inspireert, kan terecht bij Czeslaw Milosz.
Guido De Bruyn
Deze hommage aan Johannes Vermeer van gelauwerd dichter Guido De Bruyn heeft een zekere lichtheid, iets impressionistisch. ‘Dat is alles, geen ingrediënt lijkt te ontbreken: / onder de vergulde kan wacht de vergulde schotel, / iets staat voor altijd te gebeuren. / Wees gerust, sust het zilver: hier mag worden gemorst / met overdadig, zorgvuldig zondaglicht.

Het commentaar op Betje Wolff (en Aagje Deken)
Hans Franse neemt deze keer een vrouwlijke dichter onder de loep. Betje Wolff (1738-1804) was dichter en schrijfster en had een vrijzinnige geest. Later werd zij samen met Aagje Deken een onafscheidelijk 18e-eeuws schrijversduo en werden zij hartsvriendinnen. Hun werk kenmerkt zich door scherpe maatschappijkritiek, humor en een patriottische inslag. Het commentaar van Hans Franse.

Interview Froukje van der Ploeg
Als je creatief bent kun je altijd meer dan dat ene ding, zegt Froukje van der Ploeg. Uiteindelijk past poëzie het beste bij haar. Het is compact en hoe druk je leven ook is, het kan altijd. Hoe meer je schrijft hoe meer wereld je toevoegt. ‘Ik kan dichten omdat ik kan monteren, ergens de kern uit halen, dat doe ik nog steeds.’

Tove Ditlevsen - Er woont een meisje in me dat niet sterven wil
In de bloemlezing ‘Er woont een meisje in me dat niet sterven wil’ (samengesteld door Olga Ravn en vertaald door Lammie Post-Oostenbrink) van de Deense Tove Ditlevsen (1917-1976), kent het meisje in de dichter nog de jaren dat zij gelukkig was. Als volwassen vrouw had zij een doodsverlangen. Peter Vermaat stelt vast dat het meisje weliswaar niet wil sterven, maar in de poëzie ook niet meer kan zingen.
Gedichten zijn halfdoorlaatbare membranen
Door alledaagse dingen ongewoon of vreemd te presenteren, proberen dichters nu en dan onze automatische, onbewuste waarneming te doorbreken en een nieuw bewustzijn van de werkelijkheid te creëren. Maar in veel meer realistische gedichten wordt dat effect niet bewust nagestreefd. Romain John van de Maele put uit werk van Rutger Kopland, Hans Verhagen, Daniël van Ryssel en Marleen de Crée.

Miel Vanstreels - Aan de vooravond
De tragiek van ziekte, dood, vereenzaming, die zich zo simpel laten lezen, zijn niet aan Miel Vanstreels voorbij gegaan, zegt Marc Bruynseraede in zijn bespreking over de bundel ‘Aan de vooravond’. De dichter is op leeftijd en heeft veertig jaar gewerkt in de bejaardenzorg. Bruynseraede ziet sereniteit in zijn werk, die diepgang en bedachtzaamheid oproept.
Nieuwsbrief 13 / 29 maart
Ode aan het brood
Poëzie is geen luxe, het is een eerste levensbehoefte, net zoals brood. Het graan en de taal staan voor ambachten die zo oud zijn als de mensheid: het zaaien-oogsten-kneden en bakken van brood, en het proces van poëtische creatie. Brood en poëzie zijn er om te delen. Een gedicht is pas een gedicht als het geconsumeerd wordt, gesproken, gelezen of beluisterd.
Grûntonger
Op vrijdag 6 februari – Sami nationale feestdag werd een drietalig project (Noord-Sami, Nederlands en Fries) in boekvorm gepresenteerd, dat de omineuze, als waarschuwing bedoelde titel ‘Grûntonger’ kreeg (onweer in de grond). De samenwerking van de vertalers Sofia Krol en Hessel de Walle had een opmerkelijke bloemlezing van 65 gedichten als resultaat. Wopke van der Lei heeft het met plezier gelezen.

Pim Cornelussen - Tot de zon zwelt
De eerste bundel van Pim Cornelussen, ‘Tot de zon zwelt’, heeft helemaal niets van een debuut, aldus Hans Puper. De vormgeving is doordacht, de bundel heeft een sterke samenhang en sommige regels onthoud je makkelijk door de bijzondere formuleringen, het ritme en de klankrijkdom. In de bundel worden geborgenheid en verbinding een verlangen naar geborgenheid en verbinding.

Interview Maarten van den Berg
‘Het diepste van mijn gevoel presenteren en dat anderen daarmee onderweg gaan, dat is wat ik graag nastreef.’ Maarten van den Berg wil elke dag zijn beste werk maken. Het knokken en opstaan, dat is wat hem gaande houdt. In de stoeprand van een taxistandplaats zijn de dichtregels te zien. Wat betekende het? Waarom stond het daar? Wat moest die gozer hiermee?

Bloemlezing - Ik sta in wilde schoonheid
Schrijver Susan Smit stelde de bloemlezing ‘Ik sta in wilde schoonheid’ samen, hierin staan gedichten over het vrouwenlichaam, geschreven door vrouwen. Dit wekte de interesse van Marc Bruynseraede, want: ‘Een titel als deze alarmeert natuurlijk ook het mannelijk deel van de bevolking, want waar wilde schoonheid op het programma staat, daar kan het mannelijk geslacht nooit ver uit de buurt zijn.’

Aafke van Pelt
Een taalfestijn, het werk van Aafke van Pelt, in een consequente eigen stijl. Heerlijk zinnelijk met woorden die ‘doorglijden in je open keel alsof je een oester leeggiet’, met ‘volhongere vingers’ en ‘suikerslagroomwolk’, ‘pistachekruimbestrooide’ en het ‘weezoete vet’ en ‘het kleverige proef-maar-alles op onze huid’ en ‘dat wat er nakomt’: ‘we smaken eindelijk vol’,
‘nasmaak die blijft spoken’.

Bernadette Stom - Heimweecafé
Jeroen van Wijk noemt ‘Heimweecafé’ van Bernadette Stom een enigszins veilig, maar prima debuut: ‘Er is weinig op aan te merken, kwalitatief zijn ze in orde, er schuilen mooie beelden tussen de woorden, maar vaker wel dan niet blijft het daar ook bij.’ Gelukkig zitten er voldoende gedichten in die hem als lezer een fijne kluif geven.
Nieuwsbrief 12 / 22 maart
Poëzie en zelfreferentie
Zelfreferentie tref je ook aan in de natuurlijke taal en daarmee in poëzie en humor, dus ook in deze column. Binnen poëzie ontstaat zelfreferentie als de dichter pogingen onderneemt om het onzegbare te zeggen. Het onbenoembare wordt benoemd. De lach blijft in veel gevallen eigenlijk ook ongrijpbaar. Het lijkt alsof we vaak niet weten waarom gelachen wordt.
Klassieker 299 : C.O. Jellema – Notitie bij een Friese kerkmuur
Jan Buijsse bespreekt het gedicht ‘Notitie bij een Friese kerkmuur’ uit 'Stemtest' (2003), de laatste bundel van C.O. Jellema (1936 – 2003). Hij ziet er hoe de lezer getuige is van een gebeurtenis, die voor de dichter een kort lichtend moment in de tijd is, een ervaring die een eeuwigheid inhoudt.
